Home Diashows Reisboekenshop Contact> Mijn HT
Vragen? Bel ons op 0522 241146
DAGEN LOPEN ZWAARTE
24 12 3
VERTREK TERUG REISSOM
20 september 13 oktober € 3295,- **
** exclusief ticket Boek deze reis of neem een optie »

Snel naar:


Reisboekenshop
boeken & kaarten:

Bekijk en bestel
- reisgidsen,
- kaarten en
- andere artikelen van Indonesie »

Vergelijkbare reizen:


Tell a friend

Vertel door »

Deze pagina afdrukken Wandelreis West Papua | Raja Ampat
Land informatie

Landinformatie voor alle reizen van HT Wandelreizen naar Papoea en West-Papoea

Landschap en ligging

De twee provincies Papoea en West-Papoea vallen samen met het door Indonesië bestuurde voormalige Nederlands Nieuw-Guinea. Ook de benaming Irian Jaya is lange tijd in zwang geweest nl. van 1966 tot 2000. De provincie Papoea omvat de bulk van het landoppervlak van het voormalige Irian Jaya. Bij de provincie West-Papoea gaat het om het meest westelijke deel van het voormalige Irian Jaya, dat vanwege z’n vorm op de kaart reeds lang wordt betiteld als ‘de Vogelkop’ of ‘Bird’s Head’. Ook de omringende eilanden horen hierbij en staan bekend als de Raja Ampat eilanden. Om de omslachtige betiteling ‘Papoea en West-Papoea’ te vermijden, zullen we in deze landinformatie ook regelmatig de term ‘Irian Jaya’ hanteren, een term die ook binnen Indonesië nog wel gebruikt wordt. Het oostelijk deel van het totaaleiland Nieuw-Guinea heet Papua New Guinea, dat sinds 1975 onafhankelijk is. Daarvoor was het een door Australië bestuurd mandaatgebied. Irian Jaya ligt op het zuidelijk halfrond, tussen de evenaar en 10º ZB, vlak ten noorden van Australië. Het vormt samen met Papoea New Guinea (P.N.G.) op Groenland na het grootste eiland van de wereld met een oppervlakte van bijna 800.000 km2 (=16 x Nederland). Irian Jaya beslaat hiervan de westelijke helft, gescheiden van P.N.G. langs 141º  OL lijn. Jayapura, het voormalige Nederlandse koloniale bestuurscentrum Hollandia, gelegen aan de noordkust niet ver van de grens met P.N.G. is de hoofdstad van Papoea. De overige ‘steden’ van Irian Jaya waren tot een paar decennia geleden niet meer dan enigszins uitgegroeide bestuursposten. Denk aan  Merauke, Wamena, Eneratoli, Amamapare, Fak Fak, Sorong, Manokwari, Nabire en Biak. Inmiddels zijn een aantal van deze plaatsen, zoals Sorong, Manokwari en Merauke, ten gevolge van transmigratie vanuit andere delen van Indonesië uitgegroeid tot forse steden.

Het hoofdland van Irian Jaya wordt van oost naar west gezien smaller en loopt uit in een tweetal heel grote ‘schiereilanden’, Bomberai en Doberai (de ‘Vogelkop’). Verder wordt het omringd door diverse veel kleinere eilanden, die geologisch, zowel als qua fauna en bevolking, tot dezelfde "Australaziatisch-melanesische" eenheid te rekenen zijn. In oost-westelijke richting loopt er over het hele eiland een lange, hoge bergketen, die op talloze plaatsen boven de 3000 m uitreikt. Ettelijke toppen zijn zelfs veel meer dan 4000 m hoog. De hoogste zijn in de Sudirmanketen: o.a. de Carstensz piek (Puncak Jaya) met 4884 m;  en in de Jayawijayaketen de Wilhelminatop (Puncak Trikora) 4750 m, Puncak Mandala 4760 m en de Puncak Yamin 4595 m. Alleen op het massief van de Carstensz-piek bevinden zich tegenwoordig nog wat gletsjers en eeuwige sneeuwvelden, elders smelt de sneeuw telkens weer.

De bergenreeks is van groot belang voor de landschappelijke indeling. Ze wordt aan de zuidkant steil afgekapt en gaat vrijwel onmiddellijk over in een moerassig tropisch oerwoudgebied. Hier is alles groen, groen, groen, terwijl vele lagen lover het zonlicht afschermen. Talloze rivieren storten zich, aangezwollen door dagelijkse stortbuien vanaf de bergen zuidwaarts, waar aan de kust een bijzonder sterke getijdenwerking heerst. Een kilometers brede kuststrook loopt telkens onder en het zeewater dringt zeer ver de riviermondingen binnen, waardoor mangrove vegetatie ontstaat. Het gebied is vnl. over het water vanuit het zuiden toegankelijk, waarbij men rekening moet houden met zich steeds verplaatsende rivierlopen. Ten noorden van de bergen bevindt zich nog uitgestrekt laagland en ontoegankelijk oerwoudgebied. Er is echter minder verschil tussen eb en vloed. Hier slingeren zich de enorm lange toevoerstromen van de Memberamorivier tussen heuvelgroepen door, die een groot merengebied omsluiten. De helling van de grote bergketen is naar het noorden veel geleidelijker, zodat er sprake is van een tussenzone van hoogland. Dit is het land van vergezichten, het is te voet begaanbaar over paden langs veldjes en soppend langs rivierbeddingen. Bovendien heeft het door de hoogte van 1000 m en hoger een meer gematigd klimaat.

Klimaat

De provincies Papoea en West-Papoea (inc. Raja Ampat-eilanden) in Indonesië liggen (bijna) op de evenaar en hebben dus een tropisch klimaat. Het is heet en drukkend met op zeeniveau en in laaggelegen regenwouden een luchtvochtigheid van tussen de 65 en 99 %. Op zeeniveau is de gemiddeld maximale temperatuur overdag 30 – 31 °C  en de gemiddeld minimale temperatuur ‘s nachts  24 – 25 °C.  Je moet er rekening mee houden dat het elke dag kan gaan regenen, soms in de vorm van zware buien. Regenen doet het overigens voornamelijk in de middag en `s nachts. Langs de kust – bij Sentani-meer/Jayapura en op de Raja Ampat eilanden – zorgt een zeebries voor enige verkoeling. Naarmate we hoger komen, zoals in de Baliem Vallei en tijdens de hooglandtrekking, wordt het natuurlijk steeds koeler en treffen we uiteindelijk wellicht sneeuw en vorst. Voor meer specifieke klimaatinformatie per reis: zie het document van die reis getiteld ‘Praktische reisinformatie’.

Flora en fauna

De vele klimaatzones en het millennialange isolement en de geringe bevolkingsdichtheid hebben gezorgd voor een milieu dat tot voor kort nagenoeg ongemoeid gelaten is. Zo kent Irian Jaya een soortenrijkdom die nergens ter wereld wordt geëvenaard. Brede mangrove kustgebieden, waar het water zout is, gaan over in moerasbossen en deze op hun beurt tussen 100 en 1000 m hoogte in tropisch regenwoud, dat alleen in het Amazonegebied een grotere oppervlakte bestrijkt.

Vervolgens vinden we een gematigder bosgebied, de zogenaamde nevelwouden, met vele typische mossoorten, en nog hogerop coniferen, heesters en rododendrons. Tenslotte wordt op enkele plaatsten de boomgrens gepasseerd en komen we van struikgewas en gras tot op de kale rots, in een enkel geval met sneeuw en ijs bedekt.

Er moet in het verleden zeer lang een belangrijke landverbinding bestaan hebben met het Australische vasteland, waardoor de zoogdierenwereld zeer veel overeenkomsten vertoont met de eigenaardige Australische. Buideldieren zijn kenmerkend, m.n. de boomkangoeroes, buidelmarters en -ratten. Verder verdienen reuzenvleermuizen en de eierenleggende mierenegel vermelding. Vogels zijn er teveel om op te noemen. Diverse papegaaisoorten vallen het meest op en natuurlijk de beroemde paradijsvogels. Zeer bijzonder is het feit dat de kasuaris, een loopvogel, het grootste landdier is. We moeten uitkijken voor de vele giftige slangen. Talrijk zijn ook de hagedissen en kikkers. Aan de kusten en in meren en rivierdelta`s kan het wemelen van de krokodillen, terwijl in sommige rivieren en meren zoetwaterdolfijnen en -zaagvissen voorkomen. Onder de insecten moet de variëteit aan kevers genoemd worden en de vogelspin, maar het lastigst zijn natuurlijk de bloedzuigers, de muskieten en "last but not least" de vliegjes waarover nogal eens wordt geklaagd. Op eerdere reizen hadden we bovendien last van grote mensenvlooien, die we elke dag uit de slaapzakken moesten schudden.

Volk, taal en godsdienst

De Papoea`s, die de oorspronkelijke bevolking vormen, moeten eigenlijk, evenals de Australische Aborigines en de Nieuw-Zeelandse Maori`s, tot de Melanesiers gerekend worden. Ze zijn zwart, negroïde. De mongoloïde bevolking die vanuit noordoost-Azië over het hele werelddeel is uitgezwermd - inclusief over de Indonesische archipel vermoedelijk in de laatste ijstijd ruim 20.000 jaar geleden - heeft deze streken tot voor kort nauwelijks bereikt. Pas recentelijk zijn er in het kader van de transmigratiepolitiek van de Indonesische regering ettelijke honderdduizenden Indonesiërs in centra, zoals Sorong, Manokwari, Nabire, Jayapura, Merauke, Tembagapura, en Wamena gevestigd. De bevolkingscijfers voor 2014 zijn: 3.5 millioen inwoners in Papoea en 880.000 in West-Papoea. In 1961 waren bijna alle inwoners van Irian Jaya Papoea’s, maar nu zijn ze in de minderheid.

Desalniettemin blijft het land, behalve in de bovengenoemde centra, zeer dun bevolkt. Door isolement en wellicht een cultuur van oorlogvoering met buurstammen hebben verschillende groepen zich gedurende vele duizenden jaren betrekkelijk onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. Daarop wijst in ieder geval het feit dat we op het eiland zoveel (80 tot 800, afhankelijk van hoe we een taal definiëren) verschillende talen aantreffen. Er zijn natuurlijk nog veel meer culturele verschillen, maar diverse groepen in slecht toegankelijke streken zijn nog nauwelijks beschreven. Op de Vogelkop wonen de Maibrat of Ayamaru. Het zuiden is het gebied van de Asmat, de Mimikanen en de Marind-anim en de Ye-anim aan de grens met PNG. Ook weten we het een en ander van de bevolking van Yos Sudarso (voormalig Frederik Hendrik eiland). Hooglandstammen zijn de Ekari in het gebied van de Paniai- of Wisselmeren, de Moni ten noorden van de Carstenszbergen, de Dani van de Baliemvallei en ten westen daarvan, en tenslotte de Yali en Kim Yal nog meer naar het oosten.
We weten verder van enkele bevolkingsgroepen van verschillende omringende eilanden, zoals Biak en Yapen en de streken rond Sorong, Manokwari, Nabire en Fak Fak, dat deze al sinds heel lang contacten hebben onderhouden met de Indonesische buren en zich hiermee in verwantschappelijk en cultureel opzicht hebben vermengd. Over de oorspronkelijke Papoea culturen kunnen we, ondanks de verschillen, wel enkele algemene opmerkingen maken. In de eerste plaats valt op dat wol en katoen onbekend zijn. Men draagt geen kleding in onze zin des woords, maar des te meer lichaamsversiering. Bij speciale gelegenheden wordt het lichaam beschilderd en vaak worden voorwerpen als stokjes, botjes of zwijnetanden door o.a. neus en oren gedragen. Verder tooit men zich met kralen, schelpen en vooral vogelveren. Vrouwen dragen veelal rokjes van biezen en plantenstengels en draagnetten van gevlochten vezels. Beroemd zijn de peniskokers (koteka of horim) van de hooglandstammen, uitgerekte kalebassen, zonder welke mannen zich naakt voelen. De verwantschappelijke organisatie volgt een systeem van totemclans, dat zich over de hele stam uitstrekt.

Er is een scheiding der seksen vanaf jonge leeftijd. In de dorpen is vaak een afzonderlijk mannenhuis te vinden te midden van de diverse hutten, waar de vrouwen en jonge kinderen wonen. Vele stammen kennen geen traditie van erfelijk leiderschap, maar heerschappij van "grote mannen", d.w.z. hoofden, die zichzelf status verworven hebben door zich te onderscheiden in de, tegenwoordig vooral rituele, oorlogsvoering en op jacht. Zij verplichten anderen aan zich door het geven van feesten en weggeven van jacht- en oorlogsbuit en bezit, dat in het hoogland m.n. bestaat uit varkens. De enige andere manier voor deze chefs om bezit aan te wenden en aanzien te krijgen, is door meerdere vrouwen met bijbehorende gezinnen te onderhouden. Een en ander houdt verband met de migratoire bestaanswijze, waarin privé-bezit en met name dat van onroerend goed slechts een beperkte rol speelt. Op levensbeschouwelijk terrein zijn totemisme, voorouderverering en het geloof in magie bepalend. Individuen zijn door hun clanlidmaatschap verbonden met voorouders, die worden geïdentificeerd met o.a. bepaalde diersoorten of soms natuurverschijnselen en objecten in de omgeving. Over deze voorouders verhaalt een uitgebreide mythologie, die in vaste rituelen wordt uitgebeeld en herbeleefd.

Wereldberoemd is het houtsnijwerk van de Asmat, die de mythologische figuren en diverse symbolische patronen uitbeelden op totempalen, schilden, trommels, roeispanen en de voor- en achterplecht van boomstamkano`s. Het zijn vooral de mannen die zich met deze religieuze zaken bezighouden, waarmee hun initiatie in verschillende leeftijdsgroepen in belangrijke mate verbonden is. Bij sommige laaglandstammen zijn onder mannen geritualiseerde homoseksuele verhoudingen bekend. Vrouwen hebben soms eigen riten, die meestal een minder spectaculaire nabootsing zijn van die van de mannen. Wel indrukwekkend is het rouwritueel onder hooglandpapoea`s van de Dani-stam, waarbij juist vrouwen zich vingerkootjes afhakken. Het geloof in magie uit zich bovenal in het feit dat men geen natuurlijke oorzaken van tegenspoed als ziekte en dood accepteert. Er is altijd bovennatuurlijke manipulatie in het spel en toverijbeschuldigingen zijn de belangrijkste aanleiding voor gewelddadige ruzies tussen buurstammen.

Berucht uit het verleden zijn de rituele koppensneltochten van de zuidkustgroepen. Deze houden verband met de op zichzelf voor de hand liggende conceptie van verbondenheid van leven en dood, welke echter meer concreet wordt in de gedachte dat (naar analogie van de levenscyclus van de kokospalm) voor ieder nieuw geboren stamlid een kop van een buurstam moest rollen. Verhalen over kannibalisme berusten voor een deel op sensatiezin, voor een ander deel op het feit dat onze tot de tanden bewapende, doodsbange en zelf vaak tegelijkertijd bloeddorstige voorouders van de Papoea`s niet de meest vredige kant te zien kregen, en voor nog een ander deel op in krijgersculturen vaker voorkomende ritualistiek. Het ging er daarbij niet om zich te voeden, maar om zich moed te verwerven of zich van de goede gezindheid en magische kracht der voorouders te verzekeren door ritueel. Een en ander behoort langzamerhand overigens steeds meer tot het verleden. Stammenoorlogen zijn door gezamenlijke inspanning van missie, zending en het bestuur met succes verboden, evenals het grootste gedeelte van de overige traditionele riten der Papoea`s. Hierdoor is echter tevens voor het manlijke bevolkingsdeel de belangrijkste culturele bestaansgrond verdwenen. In wat ooit vervaarlijke krijgers schijnen te zijn geweest, vindt men nu nog voornamelijk de weergaloze jagers terug, betrouwbare gidsen en uiterst innemende metgezellen. Missie en zending zijn sinds de komst der Europeanen zeer actief op Nieuw-Guinea. Saillant detail hierbij is dat Nederlands Nieuw-Guinea ooit op z`n oer-Hollands werd verdeeld in invloedsferen: het noorden voor de protestanten en het zuiden voor de katholieken. De laatsten, die altijd het meest oog hebben gehad voor het welzijn en de waarden der inheemse cultuur, zijn in de minderheid.

Bij de protestantse zending hebben zich de laatste jaren fundamentalistische Amerikaanse groepen (waaronder nogal wat ontheemde Vietnam-veteranen) gevoegd en de noord-zuid verdeling wordt niet meer aangehouden. Tenslotte moet nog een recenter religieus verschijnsel vermeld worden, de ‘cargocult’. Toen de westerlingen kwamen met hun vliegtuigen en schepen, waaruit de meest begerenswaardige rijkdommen te voorschijn kwamen, wisten Papoea`s niet wat ze zagen. Geïnspireerd door een mengeling van christelijke en vooroudermythologie, wierpen zich onder hen religieuze leiders op die zich als profeten presenteerden met de heilsverwachting dat de voorouders zouden terugkeren met schepen en vliegtuigen vol zaken die het leven der Papoea`s ten goede zouden doen keren. Rond deze figuren ontstonden religieuze bewegingen die tevens een uiting van sociaal protest inhielden; protest tegen het feit dat de scheeps- en vliegtuigladingen vooralsnog voor de Papoea`s onbereikbaar zijn geweest, dan wel voor de onderdrukking en vernietiging van hun cultuur hebben gezorgd.

Middelen van bestaan

Ten grondslag aan de uniciteit van de Papoea bevolking ligt het feit dat ze tot `s werelds laatste groepen jager-verzamelaars behoren. Ook in dit opzicht onderscheiden zich de mensen die in het laagland leven van de hooglandstammen. Voor de eersten zijn jacht, c.q. visvangst, en het verzamelen van het allergrootste belang. De mannen zijn de jagers/vissers en de vrouwen de verzamelaars. Het zetmeel in het dieet verkrijgt men van de sagopalmen. Waar hiervan grote arealen aanwezig zijn, concentreert zich de bevolking. Elders leiden kleine groepen een semi-nomadisch bestaan door tussen sagobosjes heen en weer te trekken. Uitzondering vormt een groep op voormalig Frederik Hendrik eiland, die in de moerassen tuinbouw bedrijven met taro en "ubi" (zoete aardappel) als hoofdgewassen. Voorts vindt men hier en daar op drogere grond ver in het binnenland wel enige vormen van tuinbouw. De hooglanders combineren meer in het algemeen het jagen en verzamelen met landbouw. Wisselbouw, zowel als ‘ladang-‘ of brandcultuur wordt toegepast. Hier is taro goeddeels vervangen door de bataat of zoete aardappel, die intensiever gebruik van de gronden mogelijk maakt. Bovendien houdt men varkens als huisdieren en hieraan wordt iemands rijkdom afgemeten. De varkens worden gekoesterd, maar uiteindelijk met name op feesten massaal opgegeten.

De landbouw zorgt dat het hoogland dichter bevolkt is dan de rest van Irian Jaya. Vooral de brede Baliemvallei in de buurt van Wamena biedt plaats aan veel nederzettingen. Vanouds onderhouden bevolkingsgroepen uitwisselingscontacten, waarbij m.n. kaurischelpen en varkens over en weer gaan. Varkensfeesten zijn de meest geëigende momenten van samenkomst. Van meer uitgesproken handel is voornamelijk sprake in sommige noordelijke kuststreken, waar de oudste contacten met de buitenwereld bestonden. Hier worden sinds jaar en dag o.a. paradijsvogelveren, krokodillenhuiden, zeeschildpadden, en de bast en het hout van bepaalde boomsoorten e.d. geruild tegen kaurischelpen en soms metalen voorwerpen. Wezenlijk is dat onder de Papoeaas metaalbewerking onbekend is. Ze leefden tot voor kort nog in de steentijd!

Het ontwikkelingsniveau van de materiële cultuur beperkt zich tot uiterst behendig vlechtwerk van huisdaken, manden, netten, het vervaardigen van boomstamkano`s, lichaamsversiering en soms indrukwekkend houtsnijwerk. Graafstokken, stenen krabbers en bijlen, (gif)pijl en boog, speren en bamboemessen zijn de traditionele gebruiksvoorwerpen. Met deze materiële basiscondities hangt het langdurige voortbestaan van de jager-verzamelaars cultuur ongetwijfeld samen. Pas in de loop van deze eeuw worden steeds meer metalen binnengebracht. Tot zover het beeld van de Papoea`s. In de kustcentra is alles anders. Hier concentreert zich op het ogenblik vooral de uitheemse helft van de bevolking. Men houdt zich bezig met nieuwe vormen van ontginning van het land. Zo zijn er olievelden bij Sorong, kopermijnen bij Tembagapura, en op vele plaatsen wordt het woud gekapt voor tropisch hardhout en voor oliepalmplantages. Wegenbouwprojecten richten zich op de verbinding van Jayapura met Wamena, Nabire, en Amamapare. Verder zijn er in de buurt van bijna alle kuststeden vestigingsprojecten van transmigranten van de dichtstbevolkte Indonesische eilanden, die men met vooralsnog zeer beperkt succes intensieve landbouwmethoden probeert te laten toepassen op schrale voormalige oerwoudgrond. Dat dit alles een aanzienlijke groei van handels- en dienstensector met zich meebrengt in deze plaatsen, spreekt vanzelf.

Geschiedenis en politiek

Op grond van archeologische vondsten vermoedt men dat maar liefst meer dan 30.000 jaar geleden al mensen op het eiland moeten hebben geleefd. Over latere immigratie van andere melanesische groepen weten we nauwelijks iets, maar het is niet onwaarschijnlijk dat dit in de laatste ijstijd heeft plaatsgevonden. Zeevarende Aziaten hebben zich sedert 3000 v. Chr. vanuit het (zuid)oostelijke Aziatische vasteland over de hele Indonesische archipel gevestigd en er de oorspronkelijke negroïde bevolking bijna overal doen verdwijnen. In Irian Jaya zijn zij nooit verder gekomen dan de noord- en westkust, waar zij zich met de oorspronkelijke bevolking vermengden. Reeds enkele duizenden jaren voor Chr. moet er sprake zijn geweest van domesticatie van wilde varkens en veredeling van knolgewassen. Zoete aardappelteelt is van later datum, maar wellicht al een paar honderd jaar na Chr. (en niet zoals men lang heeft aangenomen door de eerste westerlingen binnengebracht). De eerste westerlingen kwamen in de eerste helft van de 16e eeuw. Het waren Portugezen, die de, van oorsprong Maleise term Papoea (kroesharig) introduceerden. Ze werden al snel gevolgd door de Spanjaarden, van wie de naam Nieuw-Guinea stamt, naar het eveneens door zwarten bevolkte Afrikaanse Guinee. Begin 17e eeuw zeilden de eerste Nederlanders om de zuidkust en naar één van hen, Jan Carstensz, die voor het eerst de ongeloofwaardige melding maakte van besneeuwde bergen in deze tropische kontreien, zijn de toppen, die hij wel degelijk echt had gezien, genoemd. De Verenigde Oost-Indische Compagnie sloot in 1660 een verdrag met de Moslimvorst van Tidore, een van de Molukken, waarin zijn soevereiniteit over het eiland werd erkend in ruil voor een Nederlands specerijenmonopolie.

De rooftochten en slavenhandel vanuit het Molukse sultanaat zijn berucht geworden. Nadat Engelse vestigingspogingen op westelijk Nieuw-Guinea waren mislukt, vestigden zij zich in de loop van de vorige eeuw wel in het zuidoosten, terwijl Duitsers het noordoosten voor hun rekening namen. Dit was reden genoeg voor Nederland om diverse vaste posten (Fak Fak, Manokwari, Merauke en later Hollandia) in te richten en het direct gezag over West-Nieuw-Guinea uit te roepen, waarbij de 141e meridiaan als grens werd overeengekomen. Er volgde een periode, waarin missie en zending zich intensief poogden te ontfermen over ontwikkeling en vooral zielenheil, terwijl het bestuur voor de handhaving van rust en orde onder de ‘wilden’moest zorgen. Een en ander heeft heel wat mensenlevens gekost, waarbij belangrijker nog dan het feit dat men elkaar wederzijds naar het leven heeft gestaan, is geweest dat er ongewild nieuwe ziekten werden binnengebracht. Het is waarschijnlijk dat de verdwijning van sommige groepen Papoea`s, waaronder bijvoorbeeld de Pygmeeënstammen hiermee verband houdt. Voorts is al voor de komst der Indonesiërs het verbod op traditionele riten en oorlogvoering van meer wezenlijke invloed geweest op de inheemse cultuur, dan de inspanningen van missie en zending op het vlak van onderwijs en liturgie. Intussen vonden talrijke expedities plaats. In het begin van deze eeuw waren het vooral Nederlandse militaire expedities, maar het land was als ‘terra incognita’ ook buitengewoon interessant voor geologen, biologen en antropologen, en tevens een fantastische speeltuin voor avonturiers, die het met name op de maagdelijke toppen van de sneeuwbergen gemunt hadden.

Onder de biologen is vooral de naam van de Brit Wallace bekend geworden door zijn theorie over de grens tussen Aziatische en Australische soorten, de zogenaamde ‘Wallace-lijn’. Onder Nederlandse antropologen werd Nieuw-Guinea met name na de Tweede Wereldoorlog, als enig overgebleven kolonie in de Oost de belangrijkste regionale specialisatie. Door de moeilijke begaanbaarheid van het terrein duurde het niet alleen heel lang tot de hoogste bergtoppen bedwongen werden, maar ook allerlei belangwekkende streken en stammen bleven lang volkomen onbekend. Zo ontdekten pas in 1936 Lt. Wissel de Wissel-(tegenwoordig Paniai-)meren en de Amerikaan Archbold pas in 1938 de Baliemvallei vanuit vliegtuigen. In 1913 bereikte kapitein Franssen Hederschee de Wilhelmina-(tegenwoordig Trikora-)top. In hetzelfde jaar kwam Wollaston tot de eeuwige sneeuw van het Carstensz-massief. Hier kwam Dr. Colijn in 1936 op de Ngga Pulu te staan, terwijl de Carstenszpiek zelf pas in 1962 voor het eerst door de expeditie o.l.v. Heinrich Harrer bedwongen werd. De (koper)ertsberg ten noorden van Tembagapura is in 1936 door de Nederlandse geoloog Dozy ontdekt, maar wordt uiteindelijk pas sinds het begin van de jaren 70 geëxploiteerd De 2e wereldoorlog bracht de ommekeer in Nederlands Oost-Indiè. Na het vertrek van de Japanners was het Nederlands bestuur onaanvaardbaar geworden voor de overzeese rijksgenoten.

De onafhankelijkheidsbeweging onder leiding van Sukarno en Hatta was definitief aangeslagen en in 1949-50 was de onafhankelijke republiek Indonesië een feit. De noordkust van Nieuw-Guinea vormde in de oorlog een van de belangrijkste strijdtonelen, waar Japanners en geallieerden, met name de Amerikanen onder leiding van Mc Arthur, slag leverden. Toen de oorlog was afgelopen werd het inzet van een politieke strijd tussen Indonesië en Nederland. Sukarno c.s. vonden dat alle voormalige koloniën moesten worden overgedragen, terwijl de Nederlanders Nieuw-Guinea vooralsnog wilden behouden. Enerzijds was men in Nederland terecht van mening, dat er sprake was van een totaal verschillende etniciteit van de inheemse bevolking, en deze was bovendien nog niet aan zelfbestuur toe, zodat hun eenvoudigweg een nieuwe koloniale situatie te wachten zou staan. Anderzijds speelden ook minder altruïstische motieven een rol. Er was op Nieuw-Guinea olie aangeboord en koper gevonden en er was goud en volop tropisch hout. Tevens gold, dat de uiterst conservatieve toenmalige Nederlandse regering in de internationale politiek een rol wilde spelen door Nieuw-Guinea als een soort anticommunistisch bolwerk te blijven beheren.
Nieuw-Guinea bleef Nederlands tot 1962-63. De Nederlanders maakten in de naoorlogse periode een begin met de ontginning en spanden zich tevens in voor de ontwikkeling van de bevolking ter voorbereiding van zelfbestuur en eventuele aansluiting bij P.N.G. Dat was toen een Australisch protectoraat en was in 1975 wel onafhankelijk geworden. De Indonesische regering bleef echter ook met militaire middelen aandringen op overdracht en maakte de ‘kwestie Nieuw-Guinea’ aanhangig in de V.N., waar de Amerikanen hun kant kozen om Sukarno niet in de armen van de communisten te drijven. Het Indonesische leger kwam in deze periode onder bevel te staan van generaal Suharto, die in 1968 het presidentschap van Sukarno heeft overgenomen. Nederland gaf in 1962 toe aan de internationale druk en na een interim periode van V.N.bestuur en een vals referendum zouden de Papoea`s er uiteindelijk voor hebben ‘gekozen’ om deel uit te maken van de Indonesische eenheidsstaat. Nederlands Nieuw-Guinea werd eerst West-Irian, later Irian Jaya.Niet alleen werden op deze manier alle Nederlandse benamingen vervangen, maar ook werd wat aan sociale infrastructuur was opgebouwd onmiddellijk ontmanteld. Met zeer harde hand werden Papoea`s ingezet voor ontginningsprojecten en worden een ‘Indonesianiseringsproces’ en grootscheepse ‘transmigraties’ ten uitvoer gebracht. De onsamenhangende acties van inheemse bevrijdingsbewegingen, min of meer verenigd onder de naam "Organisasi Papua Merdeka", worden neergeslagen. Later lijkt er sprake van een zekere matiging in de Indonesische ‘koloniale’ politiek al wordt hierover verschillend geoordeeld.

Milieu

Het beleid van HT Wandelreizen kent in dit opzicht een aantal richtlijnen (van toepassing al alle reizen): 
-  Op trektocht wordt voor zover mogelijk op gas gekookt. Houtkap wordt geheel vermeden. Maar een    kampvuur van gesprokkeld hout is soms echter onontbeerlijk voor maaltijden en warmte voor bijvoorbeeld    dragers. 
-  We laten geen afval achter: een speciale milieudrager is hiervoor verantwoordelijk.

We vragen jou als deelnemer het volgende in acht te nemen:
-  Op trektocht de vegetatie ongemoeid te laten.
-  Alle afval te verzamelen, collectief te verbranden en daarna met aarde te bedekken, dan wel mee te    nemen/geven tot het eind van de tocht.
-  Je behoefte te doen op veilige afstand van waterbronnen en rivieren.
-  Te beseffen dat voor warmwatergebruik in bergdorpen meestal hout verstookt wordt.
-  Liever geen pennen, ballonnen e.d. uit te delen.
-  Batterijen mee terug te nemen naar Nederland.

Batterijen

In veel derde wereldlanden functioneert het afval ophaal- en verwerkingssysteem niet of nauwelijks; zeker niet naar onze maatstaven van duurzaamheid. Het weggooien van giftige batterijen is een groot probleem voor de drinkwatervoorziening. Daarom willen we graag hier een steentje bijdragen 

Bookmark and Share
WANDELVAKANTIES, TREKTOCHTEN EN EXPEDITIES
HT Wandelreizen | Ten Have 13 | 7983 KD Wapse | tel. 0522-241146 | email: info@htwandelreizen.nl

Website door Zaphyrion SitemapPrivacyverklaring
htwandelreizen.nl maakt gebruik van cookies. Met cookies wordt de website persoonlijker en gebruiksvriendelijker.Akkoord